Een lila-rose zonsopkomst tussen de toppen van de populieren in de verte, zachte zinnenstrelende kleurtjes, die weldadig aandoen aan mijn nog geïrriteerde oog.
Het ijs is nog niet weggesmolten, gisteren waagden zich er nog een groepje opgeschoten jongens op en onze kat maakt ook geregeld de oversteek.
De natuur is niet helemaal tot stilstand of rust gekomen, onder de sneeuw komt springlevend sappig groen gras tevoorschijn en allerlei op dit moment niet nader te benoemen groen. De groei is wat afgeremd, dat is alles.
Even later regent het zachtjes en is er van de glorieuze ochtendkleuren niets meer te zien. Het was een speciaal cadeautje voor mij deze morgen.
Onze kat zorgde gisteren voor flinke opschudding. Ik had me net met de benen omhoog geïnstalleerd in een makkelijke stoel toen ik opschrok van het kattenluik dat met een luide knal dichtklapte en het angstige geschreeuw van een vogel. Ik krijste zelf nog harder. ‘Oh mijn God’, ‘Oh mijn God’ . De kat is inmiddels in de kamer beland met zijn prooi, maar in de war door mijn geschreeuw. De vogel schiet los, vliegt op maar wordt weer neergehaald. Ik krijs zo mogelijk nog harder in een poging de kat weg te jagen, dat lukt, mijn met de armen zwaaiende gestalte en krijsende gezicht zijn teveel voor hem, hij schiet weg. Ik sluit snel de kamerdeur en open de ramen, waar de vogel, het is een merel, al naartoe was gevlogen. Hij hipt de vensterbank op, aarzelt even en vliegt dan weg. Het huis ligt bezaaid met donsveertjes en vier grotere veren. Ik hoop dat hij warm genoeg is de rest van de winter. Gelukkig wordt het vandaag 10 graden. De kat reageerde beledigd en heeft me de rest van de dag niet meer aangekeken.




